Is de professional nog een vakman?

Richard Sennet heeft een boek geschreven over de vakman, waar we in de jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning wellicht iets van kunnen leren.

Volgens Sennet is betrokkenheid een van de centrale kenmerken van de vakman: de vakman is intrinsiek gedreven goed werk willen leveren omwille van het werk zelf. Het gaat om dingen goed te doen; de kwaliteit van het werk staat voorop. Een tweede belangrijk kenmerk van de vakman is nieuwsgierigheid, naast problemen oplossen is de vakman ook voortdurend bezig met problemen zoeken. De afwisseling van oplossen en opbloeien van problemen wordt voortdurend herhaald, met name via experimenteren – leren door doen.

Salisbury-2

Sennet zet de vakman uit de middeleeuwen af tegen de kunstenaar uit de renaissance (als voorbeelden van de kunstenaar noemt hij de vioolbouwer Stradivari en de edelsmid Cellini). Volgens Sennet verschillen ambacht en de kunst qua actie, qua tijd en qua autonomie. Bij kunst draait alles om de originaliteit van de individuele kunstenaar die richting geeft aan het handelen van zijn werkplaats; bij ambacht is er sprake van een collectief handelend geheel (denk aan middeleeuwse gilden). Kunst is plotseling en ambacht is langzaam. De eenzame orginele kunstenaar is minder autonoom dan de grote groep ambachtsmensen, omdat de kunstenaar afhankelijk is van niet begrijpende koppige macht (lees: adel en rijken als opdrachtgevers).

De werkplaats van de kunstenaar was kwetsbaar, juist omdat de originaliteit van een individu bepalend was voor succes en originaliteit niet over te dragen is op anderen. De werkplaats van de vakman was een collectief gebaseerd op gedeelde kennis, vaardigheden en rituelen – en daardoor minder kwetsbaar. Het citaat hieronder geeft het collectieve en langzame van ambachtswerk mooi weer.

“We zouden er zonder meer naast zitten als we dachten dat de middeleeuwse vaklieden volstrekt immuun waren voor innovatie, maar hun vakwerk veranderde langzaam en als resultaat van een collectieve inspanning. Zo begon de immense kathedraal van Salisbury in 1220-1225 als een aantal stenen pilaren en bogen die de Lady Chapel aan het ene uiteinde van de toekomstige kathedraal vormden. De bouwers hadden een vage gedachte over de uiteindelijke omvang van de kathedraal, maar meer ook niet. De verhoudingen van de bogen in de Lady Chapel wezen echter op een constructie-DNA van een groter gebouw en kwamen tot uitdrukking in het grote schip en de twee transepten die tussen 1225 en circa 1250 werden gebouwd. Tussen 1250 en 1280 bracht dit DNA vervolgens de kruisgang, schatkamer en kapittelzaal voort; de oorspronkelijke geometrie van de kapittelzaal, uitgaande van een vierkant gebouw, werd aangepast voor een achthoekige constructie, die van de schatkamer voor een zeszijdig gewelf. Hoe maakten de bouwers deze verbijsterende constructie? Er was niet één architect; de metselaars beschikten niet over blauwdrukken. Nee, de grove streken waarmee de bouw begon ontwikkelden zich in de loop van drie generaties tot principes en werden collectief georganiseerd. Elke gebeurtenis tijdens de bouw werd opgenomen in de structuur van het instrueren en reguleren van de volgende generatie.” (Sennet, 2008, p82-83)

 

In de maatschappelijke (jeugd)zorg willen we professionals die toegewijd zijn en verantwoordelijkheid nemen. Mensen voelen zich verantwoordelijk als ze gebonden worden aan hun handelingen. De binding aan het eigen handelen neemt volgens Weick (1995) toe als de handeling expliciet, publiek en onomkeerbaar is. Toewijding is een toestand waarbij een individu gebonden raakt – door zijn handelen – aan geloof dat zijn activiteiten zin hebben. Verantwoordelijkheid en toewijding zijn dan ook twee kanten van dezelfde medaille.

Maar kunnen we voldoende vertrouwen in de professionals hebben? Zoals het niet vanzelfsprekend is dat huisartsen de richtlijnen van de beroepsgroep volgen bij het voorschrijven van medicatie, en ook chirurgen niet vanzelf gedisciplineerd genoeg zijn om medische misser te voorkomen, zo zullen ook professionele hulpverleners in de maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg niet vanzelf doen wat wij willen dat ze doen. Om terug te komen bij Sennet: zijn de professionals in de huidige maatschappelijke (jeugd)zorg vakmensen zoals door hem omschreven? Zijn deze professionals nog wel een collectief handelend geheel waar sprake is van leren door doen — of zijn het steeds meer zelfstandigen (denk aan zzp) die zich niet gebonden weten/voelen aan collectieve kennis, vaardigheden, principes en rituelen? Of, voelen sommige professionals zich misschien eerder kunstenaar dan vakman?

Naast kennis en kunde moet de professional-als-vakman de (eigen)wijsheid hebben om zaken in twijfel te trekken om een frisse blik te behouden (het problemen zoeken naast problemen oplossen volgens Sennet). Of zoals Weick (2009) schrijft: ignorance and knowledge coexsist, which means that adaptive sensemaking both honors and rejects the past. De professional moet ambiguïteit en onzekerheid (kunnen) omarmen. Dat vraagt behalve ruimte ook gedeelde principes, waarden en rituelen. Daar hoor of lees ik te weinig over. En als we de maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg van straks – na de transities – zien als een complex systeem vergelijkbaar met het bouwen van een kathedraal in de middeleeuwen, dan hebben we professionals nodig die zich collectief gedragen als vakmensen.

[Geredigeerd 26 maart 2015]

Bronnen:

  • Sennet, R. (2008) De Ambachtsman – de mens als maker. Amsterdam: Meulenhof. p83-84.
  • Weick K.E., Sutcliffe K.M. & Obstfeld D (2009). Organizing and the Process of Sensemaking. In: Weick K.E. (2009). Making Sense of the Organization: the impermanent organization. West Sussex: Wiley. p.137.
  • Weick, K.E. (1995) Sensemaking in Organizations. Thousand Oaks: Sage. p.157.
  • Afbeelding en grondplan van de kathedraal van Salisburry komen uit: Janson H.W. (1994) History of Art (5th ed.). New York: Harry N. Abrams.