Jeugdzorg verdelen

In de vorige twee berichten heb ik wat opmerkingen geplaatst bij het recente rapport van RMO over de jeugdzorg. Wat me vooral verbaasd is dat er keer op keer een nieuw idee voor de jeugdzorg gelanceerd wordt, zonder dat duidelijk gemaakt wordt waarom het deze keer wel zal gaan lukken.

Centraal in het advies van de RMO staat de eerstelijns gezinscoach. Dat is een generalist die vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin, de sociale wijkteams of de huisartsenpost werkt. De gezinscoach heeft vier taken: (1) gesprek aangaan (2) eigen kracht versterken (3) oplossen van vraagstukken in het gezin (4) indien nodig doorverwijzen. De eerstelijns gezinscoach is niet bedoeld als een zorgcoördinator, als een extra laag of extra schakel. De eerstelijns gezinscoach kan zelf, naar eigen inzicht, “doorpakken”. Voor de gezinscoach wordt de metafoor van “pedagogische huisarts” gebruikt.

Als ik het me goed herinner werd het Bureau Jeugdzorg bij de introductie ook vergeleken met de huisarts: de toegangspoort tot zorg. Waarom is het Bureau Jeugdzorg niet geworden wat we hoopten? Het Bureau Jeugdzorg was bedoeld om orde te scheppen in het gefragmenteerde veld van de jeugdzorg. Maar het is verworden tot een bureaucratische systeem dat niet in staat was om de effectiviteit en efficiëntie van de jeugdzorg te optimaliseren. Bureau Jeugdzorg was bedoeld als een manier om de jeugdzorg te sturen, maar dat werkte niet echt. Immers, zoals de RMO en andere constateren, teveel gezinnen krijgen momenteel onnodig zorg. Tegelijkertijd krijgen kinderen met ernstige problemen niet de zorg die ze wel echt nodig hebben (dat geldt vooral voor de jeugd-GGz).

Het jeugdzorgsysteem kent vele knelpunten. Het veld is gefragmenteerd, partijen schuiven de verantwoordelijkheid af, de groei in de vraag naar jeugdzorg is onbeheersbaar en de kosten lopen de pan uit. Dat is de context voor de decentralisatie van de jeugdzorg. De opgave voor gemeenten is niet alleen om het beter te doen, maar om het ook goedkoper te doen en de toekomstige groei in te dammen. En de vraag is dan of de eerstelijns gezinscoach daarvoor de oplossing is. De RMO stelt dat er minder nadruk moet komen te liggen op sturen, controleren en doorverwijzen en meer op ontmoeten, vertrouwen opbouwen en gesprekken voeren. Dat klinkt goed, maar gaat dat er ook toe leiden dat de beperkte capaciteit aan jeugdzorg straks wel toevalt aan de gezinnen en kinderen die de zorg het meest nodig hebben?

Gaat de eerstelijns gezinscoach (zeg) 30% van de gevallen oplossen via Eigen Kracht Conferenties en meer zelf oppakken? Gaat het de eerstelijns gezinscoach lukken om een goede ‘filter’ te zijn tussen de hulpvragers en de specialistische zorg, zodat deze zorg straks beter gericht is dan nu (toekomt aan de gezinnen en kinderen die dat het meeste nodig hebben)? De RMO geeft niet aan wat er verder allemaal nodig is om het idee van de eerstelijns gezinscoach ook echt te laten slagen. Het rapport sluit af met een vage passage over gemeenten die moeten gaan experimenteren met verschillende vormen van toezicht. Dat lijkt me te weinig en te laat; de gemeenten moeten vooraf duidelijke doelen stellen. Vertrouwen in professioneel handelen van individuele hulpverleners lijkt me een goed uitgangspunt, maar dat is iets anders dan vertrouwen op strategische handelen van hun managers en directeuren. Zoals een onderzoek van Nyfer laatst aantoonde, zijn zorginstellingen vooral bezig met het nastreven van omzet en productie. Dat gedrag zal niet minder worden als de koek straks kleiner blijkt.

Gemeenten moeten niet gaan sturen op indicaties en minuten – we wilden immers van de bureaucratie af. Maar gemeenten moeten het ook niet aan de vrije krachten van het maatschappelijke middenveld overlaten, omdat de eigen belangen niet per definitie ook de maatschappelijke belangen zijn. Behalve duidelijk aangeven welke maatschappelijke effecten op het terrein van de jeugdzorg door de gemeente worden nagestreefd, zal ook het implementatieproces veel aandacht vergen. Dat laatste komt er op neer dat het niet alleen blijft bij goede ideeën, maar dat deze ook werkelijk gemaakt worden in het lokale veld van goede bedoelingen en andere belangen.

 

4 thoughts on “Jeugdzorg verdelen

  1. Je slaat de spijker op de kop. Mijn baas (Oprichter van de Opvoedpoli, Linda Bijl), zei precies hetzelfde: hoe voorkom je dat gemeenten met hun CJG’s en hun ‘generalist’ herhalen wat bij BJZ kennelijk zo mis is gegaan. Niet omdat BJZ-ers hun werk niet goed doen, maar omdat de ‘instellingen’ ieder zo hun eigen ding doen en hun belang hebben.
    Mechtild Rietveld

  2. Ik was bij de start van BJZ, ik ben bij de start van CJG! Of de constructie van het CJG gaat slagen is afhankelijk van alle ontwikkelingen die momenteel gaande zijn! Het CJG is namelijk een verzameling van (bestaande) instellingen die zich met Jeugdzorg bezig houden. Als die instellingen (te) veel te maken krijgen met veranderingen of bezuinigingen heeft dit rechtstreeks gevolgen voor het goed functioneren en voortbestaan van de CJG’s. Ik hoop dus dat we als samenwerkende instellingen de kans krijgen om vanuit een positieve insteek samen te werken, in het belang van alle kinderen, jongeren en de toekomst van ons allemaal! Wij gaan ervoor!

  3. Pingback: CJG verbeteren | [doen-en-denken]

Comments are closed.