Toekomstbestendige basispsychiatrie

Philippe Delespaul heeft in MGv een prikkelend artikel geschreven over de toekomst van de GGz. Hij stelt dat de GGz-sector keuzes moet maken, omdat de capaciteit veel kleiner is dan de behoefte (4% versus 25% van de bevolking).

Delespaul is van mening dat de GGz in deze tijd van bezuinigingen het initiatief moet nemen, met voorstellen en oplossingen moet komen (en niet alleen blijven mopperen op de overheid en wat er allemaal fout is).

Delespaul geeft zelf een voorzet. Hij stelt voor om de GGz te ‘compartimenteren’ in de volgende vier groepen:

  1. de ‘ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA) Plus’-groep die bemoeizorg of ACT vraagt;
  2. de EPA-groep waarvoor fACT aangewezen lijkt,
  3. de disease management-groep van de common disorders (bijv. angststoornissen of een depressie) die door de huisartsen begeleid worden in combinatie met een wijkgerichte infrastructuur en een psychiatrische liaison,
  4. de common disorders die tijdsbeperkt, evidence-based in poliklinieken behandeld worden.

Vervolgens pleit de auteur voor een soort van omgekeerde eigen bijdrage (het “zorgkrediet”) waarmee de bovengenoemde eerste twee groepen de mogelijkheid hebben om bewust voor zorg te kiezen, zonder in financiële nood te raken. In feite stelt hij een tweedeling van de GGz voor, met een (1) een basispsychiatrie waarvoor een maatschappelijke verantwoordelijkheid bestaat en (2) een GGz die voortkomt uit persoonlijke keuze. Wat Delespaul betreft zou de GGz-sector meer prioriteit moeten geven aan de basispsychiatrie.

Ik wil niet zeggen dat dit een heel nieuwe discussie is, maar in het licht van maatschappelijke discussie over de eigen bijdragen en ook de aanstaande transitie van de AWBZ-begeleiding naar gemeenten lijkt me de stellingname van Delespaul goed te verdedigen. 

 

[Bron: Philippe Delespaul (2011) Naar een toekomstbestendige basispsychiatrie. MGv, 2011, nr. 9. p.627-630.]

One thought on “Toekomstbestendige basispsychiatrie”

  1. Persoonlijk heb ik te weinig inhoudelijke kennis om te reageren op het gestelde. Ik begrijp wel duidelijk uit verschillende bronnen, dat het capaciteitsprobleem een groeiend probleem is en dat een aanpassing nodig gaat zijn.
    In hoeverre zou het van toegevoegde waarde, of zelfs noodzaak kunnen zijn in uw ogen om veel meer aandacht de schenken aan psychologische processen binnen het onderwijs? Zodat leerlingen een beter besef en handvatten kriijgen aangereikt, om effectiever over zichzelf ‘na-te-denken’ en hun keuzes en handelingen daarop af te stemmen.
    Zou hier een sterke preventieve werking vanuit kunnen gaan?

    Vriendelijke groet,

    Sander

Comments are closed.