Managen van jeugdzorg door gemeenten

De jeugdzorg komt straks onder de bestuurlijke regie van de gemeenten, dat is de bedoeling van deze regering. Volgens velen is de verkokering van de jeugdzorg over verschillende bestuurslagen (rijk, provincies en gemeenten) een van de oorzaken dat de problemen in de uitvoering van de jeugdzorg niet voortvarend aangepakt werden. Maar, wat zijn de problemen van de jeugdzorg precies? Vorige week hebben een professor, een directeur en een wethouder hun licht laten schijnen over de knelpunten en de toekomst van de jeugdzorg, tijdens de Atriumlezing van de VNG en Nicis (17 februari 2011).

De professor (Misha de Winter) wil over de inhoud praten. Volgens hem gaat het de overheid vooral om het temperen de sterke stijging van de vraag naar jeugdzorg. Maar deze toenemende vraag naar jeugdzorg komt niet doordat de jeugd van nu meer problemen heeft. Epidemiologisch onderzoek laat een heel constant beeld zien. De toename komt vooral door overdiagnose: allerlei sociale problemen krijgen een orthopedagogisch of psychiatrisch label (medicalisering kortom). De Winter pleit voor een pedagogische ‘civil society’, voor het teruggeven van de opvoeding aan de ouders.

De directeur (Erik Gerritsen) begint met dat hij het eens met de inhoudelijke opmerkingen van De Winter, maar zegt dat er ook wel degelijk sprake is van een ziek systeem. Hij is een groot voorstander van de plannen die er voor zorgen dat er één geldstroom en één bestuurslaag komt voor de jeugdzorg. Gerritsen somt ook een aantal valkuilen op die gemeenten moeten zien te ontwijken. Hij benadrukt dat gemeenten vooral eerst de tijd moeten nemen om een deskundig opdrachtgever te worden. Dat vergt meer dan een middagje ‘stage lopen’. Verder merkt hij op dat het van belang is dat elk gezin één centrale hulpverlener/’gezinsmanager’ heeft die niet gewisseld wordt en die vooral aandacht schenkt aan het versterken van het eigen sociale netwerk (dat bepaald volgens Gerritsen 70% van de effectiviteit; zogenaamde ‘evidence based’ methoden slechts 15%).

Tot slot, de wethouder (Erik Dannenberg) legt de nadruk op de gebrekkige afstemming en het ontbreken van overzicht op gezinnen. Hij wil het woord “doorverwijzen” niet meer horen. Er moet een persoon naast het gezin staan en die haalt er zo nodig specialisten bij “zo hou je kinderen in het gewone leven”. In dit verband noemt Dannenberg ook de perverse werking van indicatiestelling: je moet eerst een label van iets ergs hebben voordat je geholpen kan worden (dat verklaard wellicht de bovengenoemde overdiagnostiek). Er is geen prikkel om problemen klein te houden, maar juist om ze groter te maken.

De laatste jaren is er veel beleid op het terrein van de maatschappelijke zorg gedecentraliseerd. Ik denk dat bij de overdracht van de jeugdzorg geleerd kan worden van de decentralisatie van de maatschappelijke opvang, die in de jaren 80 van de vorige eeuw in gang is gezet. Wat je de laatste jaren ziet is dat centrumgemeenten (waarvan er 43 zijn) afstappen van de beperkte sturingsrol als subsidiegever en zich nadrukkelijker gaan bemoeien met het regisseren van de (keten)samenwerking.

Zoals het niet vanzelfsprekend is dat huisartsen de richtlijnen van de beroepsgroep volgen bij het voorschrijven van medicatie (zie bericht), en ook chirurgen niet vanzelf gedisciplineerd genoeg zijn om medische misser te voorkomen (zie bericht), zo zullen ook professionele hulpverleners in de jeugdzorg niet vanzelf doen wat wij willen dat ze doen. Er wordt mij iets te vaak geroepen dat we de verantwoordelijkheid weer terug moeten leggen bij de professionals. Ik ben het daar mee eens als daarmee bedoeld wordt dat allerlei onnodige bureaucratie weg moet, maar alles overlaten aan de professional lijkt me geen goede zaak (zie genoemde voorbeelden).

Waar in de discussie een beetje omheen gedraaid wordt, is het falende management. Al jaren is wel duidelijk wat er moet gebeuren; aan visie is geen gebrek. Het lukt echter steeds maar niet om gedaan te krijgen wat is afgesproken. En dat is juist de meest simpele definite van management: getting things done.

De directie van instellingen voor jeugdzorg geven leiding aan de professionals. Het is niet aan de gemeenten om in de bedrijfsvoering van deze instellingen te stappen, maar het is ook te weinig om op grote afstand alleen maar periodiek subsidie te verstrekken zonder dat precies helder is wat er geleverd en bereikt wordt. Gemeenten moeten dus inderdaad, zoals Gerritsen stelt, tijd en aandacht investeren om een goede opdrachtgever te worden. Wat mij betreft betekent dat niet alleen verstand krijgen van de inhoud van het werkveld, maar moet de gemeente ook een vorm van ‘management’ vinden waarmee ze zich verzekert dat ‘things get done’.

Bron: videoregistratie Atriumlezing VNG/Nicis